Willem Kloos

Sonnet VI - Avond

Nauw zichtbaar wiegen, op een lichten zucht,
    De witte bloesems in de scheemring — ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid . . . , Rust — o, wonder-vreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf — de wind, de wolken, alles gaat
        Al zacht en zachter — alles wordt zoo stil . . .

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
        Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Uit: Verzen (1894)