Willem Kloos

Van de Zee

Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
    De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning,
    Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
    En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt;
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
    En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O Zee, was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
    Dan zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschelijke belustheid
    Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
    Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.

Uit: Verzen (1894)