Ambtseed van de kerkvoogd

Ho dat ma da foeghden den eed stowiet.

Hoe men de voogden de eed staaft.

  1. Dat y jenna godis huus hold ende enstich ze and jowe godis huus lick jour aina gode rede ande jerne alder to helpe dat dat godis huus werde also tayed ende temmeret in da howe ende in da hoffwerum, inda yrnese, inda eke inda dorum, ande da thacke in da bokum, in da stolum, in da garum, in da alterlidsenen1, in da tzelkum In da corporalem, in da screynen, in da byldum ende in alla seckum deer da presteren ty da godis huze ende tyda godis tienste bihoef ze ende naet unberra moghen ende des godis huze guede jerna helpe to wennenne deer hya dyna godis tianste eder ende lat mede fordrie.

  2. And wha so des godis huse aeck schieldich ze in bokengem, in butter scette in waxscette in menra scilden in mara schielden jerne in monie ende mit riuchte inwenne jeff y moghe ende in da riuchte mit clage also fiir brenghe so y om jo2 ayne howe dwaen wolde.

  3. Dat joe god also helpe ende dat hellighe ewangelium, etc.

Brontekst: Codex Unia, folio 154r (via Apographa, folio 42v).
Transcriptie en bewerking: Bouwe Brouwer

1Het is onduidelijk wat er in het afschrift (apograaf) van Franciscus Junius staat na “alterlid”, alhoewel het woord twee keer voorkomt, één keer in de gewone tekst en één keer in een doorgehaalde verschrijving.
In het Jus Municipale Frisonum staat in de overeenkomende tekst Thi fogheteed “alterliden” (W.J. Buma & W. Ebel, Westerlauwerssches Recht I, Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1977, p. 636-637).
In het Freeska Landriucht (D/Oude druk) wordt in het Zeendrecht de ambtseed van de kerkvoogd aangehaald; op die plek wordt “alterleckenen” gebruikt (p. 104).
Volgens Van Helten zou de juiste schrijfwijze “alterlidsenen” moeten zijn. (W.L. van Helten, Zur lexicologie des altwestfriesischen, Amsterdam: Johannes Müller 1908, p. 60).

2In het afschrift staat: “no”.