Fan scultena bannen

Over de ban van de skelta

  1. Henzich1 thingh ende herich thingh biade ic allermanna likum, deer dat aefte thyngh et ta fordle kundighet wert, dam ban ic frede toe dae thinghe ende fan dae thinghe, it ta thinghe mey frede toe wesane, ende oen riochte ti standane, eenhwerua ende anderhwerua ende treddahwerua, bi dis griewa banne.

    Een onderdanig en gehoorzaam ding bied ik iedereen gelijkelijk, die het wettelijk ding aan zijn woning aangekondigd werd; voor hem gebied ik vrede op weg naar het ding en vanuit het ding, in het ding in vrede te zijn en in rechte te staan, voor de eerste maal, voor de tweede maal en voor de derde maal, uit kracht van de grafelijke ban.

  2. Frede ban ic dae keisere fan Roeme ende syne foghedum.

    Vrede gebied ik voor de keizer van Rome en zijn voogden.

  3. Ic banne io hyr heren alle, bi dis grieuwa banne, dat i den keisers frede sterkie.

    Ik gebied jullie heren hier allen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie de keizerlijke vrede versterken.

  4. Frede ban ic my selm an liue ende aen goede, ief an lene, aeka ick et oenfenzen hab fan dis grieuwa halum.

    Vrede gebied ik voor mijzelf aan lijf en aan goed of aan het leen, zoals ik het vanwege de graaf ontvangen heb.

  5. Nv ban ic frede sanctim ende sanctis foghedum ende sinte Pieters Goedishuus toe Rome, ende alla Goedishusim, in alsoedena goede, als hia heden fernyere ende eer ferniere, ende hire oen eyner ende oen riochter were, sonder raf ende sonder kyf, dat se ’r emma ofrawie iefta aet oenriochtis oen dwee.

    Nu gebied ik vrede voor de Kerk en de voogden van de Kerk en voor de Sint-Pieterskerk te Rome en alle godshuizen, in zodanig goed, zoals zij houden afgelopen jaar en het jaar daarvoor en dit jaar, en in eigen en in rechtmatig bezit, zonder roof en zonder twist, opdat niemand het berooft of enig onrecht daaraan doet.

  6. Ic ban ioe heren alle meenliken, bi dis grieuwa banne, dat i den tzerkfrede sterkie.

    Ik gebied jullie heren allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie de kerkvrede versterken.

  7. Frede ban ick dae huusmanne, widem ende wesem, ende alla warlasum, eermem ende rikum, ende allermanna likum, oen alsoedene goede, als hia fernieer ende, hire oen werum heden ende oen hewem, so hu so hit hede, alsoe fyr soe hy ’t riochtelike hede.

    Vrede gebied ik voor de huisman, weduwen en wezen en alle weerlozen, armen en rijken en iedereen gelijkelijk, aan zodanig goed, zoals zij afgelopen jaar en in dit jaar aan landerijen en aan have houden, hoe iemand het ook houden mag, voor zover hij het rechtmatig houdt.

  8. Frede ban ic allermanna likum ti dere seburch ende et ter seburch allerlikum, deer se sekande sie, ende hia werkande se; him sellum oen hiara goede, dat se emma rawie, iefta aet onriochtes dwee.

    Vrede gebied ik voor iedereen gelijk op weg naar de zeedijk en op de zeedijk, gelijk iedereen, die hem bezoekt en daaraan werkt, voor hemzelf aan zijn goed, opdat niemand hem berooft of enig onrecht aandoet.

  9. Ic banne ioe heren alle meenlike deer to, bi dis grewa banne, dat i dyn frede sterkie alle dera likum, deer ene haudmonta oenfensen haet et howe ende et herum, dam ban ic frede, eenhwarua ende oerhwerwa ende treddahwerwa, bi des grieuwa banne, him selm ende hiara goede, dat se emma raewie, iefta aet onriochtes dwee.

    Ik gebied jullie heren allen samen daartoe, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie die vrede versterken voor iedereen gelijk die een hoofdmuntplaats ontvangen heeft van het hof en van de landheer; voor hem gebied ik vrede, voor de eerste maal en de tweede maal en de derde maal, uit kracht van de grafelijke ban, voor hemzelf en zijn goed, opdat niemand hem berooft of onrecht aandoet.

  10. Frede ban ic allerlikum, deer da monte sekende se, ti der monta ende fan dir monta ende et ter monta, dat se emma raewie, iefta aet onriochtis dwee.

    Vrede gebied ik voor iedereen die het munthuis bezoekt, op weg naar het munthuis en op weg van het munthuis en in het munthuis, opdat niemand hem berooft of enig onrecht aandoet.

  11. Ick banne io heren alle meenlike, bi dis grieuwa banne, dat i habbe ioene bannena dike alsoe wrocht, twiska sinte Benedictus dei ende lettera ewinnacht, dat hi onbanplichtich sie.

    Ik gebied jullie heren allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie jullie onder de ban vallende dijk tussen Sint-Benedictusdag2 en de herfstnachtevening3 in zodanig staat hebben gebracht, dat hij niet boeteplichtig is.

  12. Ic banne ioe heren alle mene, bi dis grieuwa banne, dat i iouwe bannena syl, efter sincte Benedictus dey, alsoo habbe wrocht tiaende ende temende, dat hi onbanplichtich se.

    Ik gebied jullie heren allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie jullie onder de ban staande zijl na Sint-Benedictusdag zodanige trekkend en temmend hebben gemaakt, dat hij niet boeteplichtig is.

  13. Ic banne ioe heren alle meenlike, dat i iouwe insilen oen iowe hemmerke maran also rekenad ende temed habbe ti der seburch, dat se onbanplichtich se.

    Ik gebied jullie heren allen samen, dat jullie jullie binnenzijlen in jullie hemriksloten zodanig gaande en getemd hebben aan de zeedijk, dat ze niet boeteplichtig zijn.

  14. Ic banne ioe heeren alle meenlike, bi dis grieuwa banne, dat i iowene bannene herewei also wrocht habbe, als hi mey landtriocht schilleth habba.

    Ik gebied jullie heren allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie jullie onder de ban vallende heerweg zodanig gemaakt hebben, als hij naar landrecht zou moeten zijn.

  15. Ic banne ioe heeren alle meenlike, bi dis grewa banne, dat i iouwe bannena wegan, deer ti dae Goedishuus gaet, alsoe wrocht habbe, dat i onbanplichtich sie.

    Ik gebied jullie heren allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie jullie onder de ban staande wegen, die naar het godshuis gaan, in zodanige staat hebben gebracht, dat jullie niet boeteplichtig zijn.

  16. Thingfrede ende hoffrede, ende huusfrede ende scipfrede, dae ban ic mit des grieuwa banne.

    Dingvrede en boerderijvrede en huisvrede en schipvrede gebied ik uit kracht van de grafelijke ban.

  17. Ic banne ioe alle menlike, mei dis griewa banne, dat i dine frede sterkie.

    Ik gebied jullie allen samen, uit kracht van de grafelijke ban, dat jullie deze vrede versterken.

  18. Nv wrban ic, bi dis grieuwa banne, oweereere, owerschere, owerhaeck, owerrypan, owermeed, ende owerdelte, ende ouwer onriochta meta, dat emmen dwee oerem wald, iefta onriocht.

    Nu verbied ik, uit kracht van de grafelijke ban, het ploegen, weiden, hakken, oogsten, maaien en graven op andermans grond en overige valse maten, opdat niemand een ander geweld of onrecht aandoet.

  19. Thingslite, zonder acht, dern sona, dae wrban ic, dat ter emma oers foirspreka wirde, hit ne se myt myn orloue.

    Verlating van het ding, eigenrichting, heimelijke verzoening, die verbied ik, dat iemand andermans voorspreker wordt, tenzij met mijn verlof.

  20. Wel mi emma oen riochte opsprecka, so biade ick mi ti riochta andwirde.

    Wil iemand mij in rechte aanspreken, dan bied ik mij aan ter rechtmatige verantwoording.

  21. Nv spreke re, deer bihoef sie.

    Nu spreke hij, die daaraan behoefte heeft.

Brontekst: Jus Municipale Frisonum (J), fol. 65-64.
Transcriptie: M. de Haan Hettema, Oude Friesche Wetten, tweede deel, eerste stuk, Leeuwarden: G.T.N. Suringar 1847, p. 121, 118-1204.
Vertaling en bewerking: Bouwe Brouwer

1In het handschrift ontbreekt de initiaal H.

2Sint-Benedictusdag is de gedachtenis aan de heilige Benedictus van Nursia op 21 maart. De lentenachtevening of lente-equinox, de dag-en-nachtevening in de lente is ook op 20 of 21 maart; dag en nacht duren dan even lang. Deze dag is het begin van de lente.

3De herfstnachtevening of de herfstequinox is de dag-en-nachtevening in de herfst op 22 of 23 september; dag en nacht duren dan even lang. Deze dag is het begin van de herfst.

4Door een bladverwisseling is de tekst in de transcriptie van De Haan Hettema moeilijk in verband te lezen. De Haan Hettema geeft in zijn transcriptie steeds na het eerste woord op een nieuw blad tussen rechte haken het bladnummer weer. Het eerste deel van Fan scultena bannen komt van blad 65 en staat in het boek op blz. 121, regel 1 t/m 25 en eindigt met “so hit hede”. Het tweede deel komt van blad 64 en begint in het boek op blz. 118, regel 17 met “alsoe [64] fyr soe” en loopt door tot en met blz. 120, regel 4. Blijkbaar zijn in het manuscript of in de transcriptie de bladen 64 en 65 verwisseld.