Oudfriese tien geboden

Volgens de Hunsingoër handschriften H1 en H2

Hir is scriuen alsa dene bode, sa god selua ief moysi in monte synai, uppa tha berche te synai, on tuam stenena teflum. Tha scelen wita allera monna lik ther cristen send.

Hier staan beschreven de zodanige geboden, die God zelf aan Mozes gaf in monte Sinai, op de berg Sinai, op twee stenen tafelen. Die moet kennen iedereen die christen is.


Primum mandatum. Thet erste bod: minna thinne god fore feder ende moder mith inlekere herta.

Primum mandatum. Het eerste gebod: Heb je God lief boven vader en moeder met innig hart.

Thet other bod: minna thinne euncristena like thi selwm.

Het tweede gebod: Heb je medechristen lief als jezelf.

Thet thredde bod: fira thene sunnandei end there helche degan.

Het derde gebod: Vier de zondag en de heilige dagen.

Thet fiarde bod: minna thine feder end thine moder, hu thu longe libbe.

Het vierde gebod: Heb je vader en moeder lief, opdat je lang leeft.

Thet fifte, thet thu thi nowet ne owerhore.

Het vijfde, dat je geen echtbreuk zult plegen.

Thet sexte, thet thu nenne mon ne sle.

Het zesde, dat je geen mens zult doden.

Thet sogende, thet thu nowet ne stele.

Het zevende, dat je niet zult stelen.

Thet achtende, thet thu thi nowet ne vrsuere ne nen falesk withscip ne driue.

Het achtste, dat je niet vals zult zweren en geen valse getuigenis zult afleggen.

Thet niugende, thet thu nenes thines euncristena wiues ne gereie.

Het negende, dat je de vrouw van je medechristen niet zult begeren.

Thet tiande, thet thu nenes thines euncristena godes ne ierie.

Het tiende, dat je geen goed van je medechristen zult begeren.

Bronteksten: Eerste Hunsingoër Handschrift (H1/Ms. Wicht), p. 126/127 en Tweede Hunsingoër Handschrift (H2/Ms. Scaliger), p. 65/66.
Transcriptie, vertaling en bewerking: Bouwe Brouwer